Jaarverslag 2016

2016 in Cijfers

11 Productiviteitsontwikkeling

11.2 Personeelsomvang, kosten en productiviteit

Tabel 7 laat zien hoe de gemiddelde personele bezetting en het volume afgehandelde zaken zich in de afgelopen negen jaar hebben ontwikkeld. Het zaaksvolume is gewogen5, waardoor veranderingen in de zaaksamenstelling zoveel mogelijk worden meegewogen. De gemiddelde bezetting betreft voltijdbanen (fte) en is berekend door het gemiddelde te nemen van de personeelsomvang op 31 december van het voor­liggende en de personeelsomvang op 31 december van het lopende jaar. Voor de gebruikte cijfers en aantallen personen, zie de tabellen met personeelsomvang.

In 2016 is het zaaksvolume zeer licht afgenomen (-0,3 procent) en bleef de personele omvang ook nagenoeg gelijk (0,1 procent), waardoor de arbeidsproductiviteitsindicator bijna onveranderd bleef (-0,4 procent) ten opzichte van 2015.

Tabel 7: Index personele bezettinga, gewogen zaaksvolume en arbeidsproductiviteit Rechtspraak (2007 = 100)

 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 groei 2016 (%)
Gemiddelde bezetting rechtersen raadsheren100102104107107105104104103103-0,4%
Gemiddelde bezetting ondersteuning10010210310410299991021031030,3%
Gemiddelde bezetting totaal 100 102 104 105 103 100 100 102 103 103 0,1%
Gewogen zaaksvolume 100 100 104 108 110 108 107 106 102 102 -0,3%
Zaaksvolume per arbeidsjaar: arbeidsproductiviteit 100 99 101 103 106 107 106 103 99 99 -0,4%
a In deze bezettingscijfers is voor alle jaren (het bureau van) de Raad voor de rechtspraak ook opgenomen. Ultimo 2016 betreft dit 3 fte RA en 144 fte GA.
 

Tabel 8 geeft een beeld van de kostenontwikkeling. gecorrigeerd voor inflatie van lonen en prijzen bij de overheid. Voor deze kosten zij opgemerkt dat een vergelijking over de jaren enigszins wordt bemoeilijkt, vanwege de effecten die voorzieningen en overlopende posten in het BLS-stelsel met zich meebrengen. De totale voor inflatie gecorrigeerde kosten die de Rechtspraak heeft gemaakt, zijn in 2016 toegenomen met 1 procent.

 

Tabel 8: Index reële6 kosten en zaaksvolume per ingezette euro bij de Rechtspraak (2007 = 100)

 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 groei 2016 (%)
Personele kosten1001021061131121081091111071102,9%
Overige (materiële) kosten100939591889098888683-3,6%
Totale kosten 100 99 102 106 105 102 105 103 100 101 1,1%
Gewogen zaaksvolume 100 100 104 108 110 108 107 106 102 102 -0,3%
Zaaksvolume per ingezette euro: kostenproductiviteit 100 102 102 101 105 106 101 102 102 101 -1,3%
Naar aanleiding van een revisie van de inflatiecijfers door het Centraal Planbureau is met terugwerkende kracht de inflatiecorrectie van de kostenreeksen herzien. Dit heeft gevolgen voor de indices van kosten en kostenproductiviteit zoals weergegeven in deze tabel, vergeleken met eerder gepubliceerde jaarverslagen (gewijzigde indices zijn in rood weergegeven).

De personele kosten namen over de gehele linie toe, zowel de salarissen en sociale lasten alsook de pensioenpremies en de overige personele kosten. Laatstgenoemde categorie bestaat onder andere uit een voorziening voor KEI-kosten en vertoonde de grootste toename in nominale kosten (zie in [14] in de jaarrekening).

De materiële kosten namen feitelijk zeer sterk toe, met name bij huisvestingskosten (zie ook [15]). De huisvestingskosten zijn 57 miljoen euro hoger dan in 2015. Maar omdat dit hoofdzakelijk veroorzaakt wordt door een uitzonderlijke incidentele kostenpost van euro 65,1 miljoen euro in verband met het nieuwe rijkshuisvestingsstelsel, wordt hiervoor gecorrigeerd. Deze toename in materiële kosten is van dien aard dat ze in de vergelijking met de productiviteit niet worden meegenomen en in de tabel buiten beschouwing worden gelaten. Daardoor is in de tabel sprake van een afname van materiële kosten tussen 2015 en 2016, met 4 procent.

Omdat het zaaksvolume in 2016 nagenoeg gelijk bleef terwijl de totale kosten met 1 procent toenamen, zijn de kosten voor een vergelijkbare hoeveelheid zaken in 2016 met ongeveer 1 procent toegenomen. Anders gezegd, de kostenproductiviteit is in 2016 licht afgenomen.

Over de periode 2007 tot en met 2016 nam het gewogen zaaksvolume met 2 procent toe (index 102). De reële kosten voor de Rechtspraak bleven in die periode ongeveer gelijk (index 101). Dit betekent dat de kostenproductiviteit van de Rechtspraak nu (index 101) licht hoger is dan in 2007.

In figuur 5 zijn de ontwikkelingen op het gebied van het aantal zaken, personele omvang en kosten voor een nog langere periode te zien: 2002-2016.

  • Het gewogen zaaksvolume vertoonde in deze periode een golvende beweging met een opwaartse trend: in 2016 was het zaaksvolume 14 procent groter dan in 2002.
  • De personeelsomvang is sinds 2002 toegenomen met circa 17 procent. De arbeidsproductiviteit is daarmee afgenomen tot beneden het niveau van 2002.
  • De totale reële kosten voor de Rechtspraak zijn vanaf 2002 toegenomen met circa 9 procent. Per saldo zijn de kosten voor de afhandeling van een vergelijk­­­­­­­-bare hoeveelheid zaken in 2016 circa 4 procent lager dan in 2002. De kosten­productiviteitsindex kwam in 2016 uit op 104.
  • De arbeidsproductiviteit is licht afgenomen ten opzichte van 2016. Dit moet gezien worden in het licht van de invoering van de professionele standaarden in het strafrecht en de tijdsbesteding die de implementatie van KEI vraagt.
 

In de gebruikte cijfers van het zaaksvolume blijft een aantal ontwikkelingen die de behandeling van rechtszaken bewerkelijker maken, buiten beeld. Zo is de belasting voor rechters en raadsheren toegenomen om de kwaliteit van het rechtspreken te borgen en te verbeteren. Te denken valt aan de explicietere en betere motivering in strafvonnissen.

Het toegenomen beslag van de behandeling van megazaken op de capaciteit, is niet in de ontwikkeling van het zaaksvolume terug te vinden. Er zijn daarnaast signalen dat de omvang van de processtukken die gelezen moeten worden, is toegenomen. Veranderingen in de houding van procespartijen en hun vertegenwoordigers en de invloed daarvan op de werklast is evenmin goed in beeld te brengen. Ook is als gevolg van invoering van de OM-strafbeschikking een sterkere selectie van straf­­­­zaken ontstaan, waardoor de gemiddeld arbeidsintensievere zaken overblijven, voordat deze bij de rechter komen.

 

Deze weging betreft de mix van typen zaken. Als er verhoudingsgewijs meer MK-zaken worden afgedaan dan neemt de gewogen werklast toe. Ontwikkelingen die de behandeling van zaken intensiever maken kunnen hier niet in worden meegenomen. Als bijvoorbeeld de behandeling van een MK-zaak meer tijd gaat kosten vanwege proceseisen of andere ontwikkelingen, weegt dat niet mee in de gewogen werklast.

Reële kosten wil zeggen dat de nominale bedragen zijn gecorrigeerd voor de inflatie. Hiervoor gebruiken we cijfers van het Centraal Planbureau (CPB).